Toespraak president Wattilete bij onthulling nationaal monument Ulu Kora

22 juni 2026

Geachte aanwezigen,

Minister-president Jetten, burgemeester Schouten, burgemeester Manusama, eventuele leden van de Tweede Kamer hier aanwezig, landgenoten.

In het bijzonder heet ik welkom de ouderen van de eerste generatie die hier vandaag aanwezig zijn: tante Nel Manuputtij, oom Edu Latuheru, oom Anis Nahumurij en oom Paul Souhuwat. Het is geweldig dat u vandaag hier in ons midden bent. U vertegenwoordigt vandaag alle ouders die in de achterliggende decennia zijn overleden en deze herdenking niet zelf mogen meemaken.

Saudara-saudara, terutama menjambut dengan hormat saudara-saudari generasi pertama jang hari ini berada bersama kita. Itulah tante Nel Manuputtij, oom Edu Latuheru, oom Anis Nahumurij dan oom Paul Souhuwat. Hari ini tante dan oom mewakili orang tua jang telah meninggal dan tidak ada bersama dengan ketong pada hari ini. Selamat datang.

Vandaag zijn we hier samen op een plaats waar kade en water samenkomen. Hier wordt zichtbaar wat te lang te weinig is gezien: het verhaal van een volk dat tegen zijn wil naar Nederland werd overgebracht.

Dat gebeurde in de nasleep van een oorlog, dekolonisatie, politieke besluiten en gebroken verwachtingen. Mannen in de bloei van hun leven, veelal twintigers die hadden gediend in het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger, kwamen alleen of met hun gezinsleden naar Nederland, in de verwachting dat hun verblijf tijdelijk zou zijn.

Bij aankomst volgde geen eerherstel, maar ontslag. De belofte van tijdelijk verblijf is intussen werkelijkheid geworden in de vorm van 75 jaar verblijf in Nederland. Wat als tussenstation was voorgehouden, werd voor velen van de eerste generatie hun laatste rustplaats.

Dat is de harde werkelijkheid. Het raakte hun eer, hun gezin en hun geloof in rechtvaardigheid. Het raakte ook diep het vertrouwen in de Nederlandse staat. Maar bovenal betekende het voor hen een breuk in de band met de Molukken, waar hun naasten waren achtergebleven. Het land waarvoor hun hart klopte, waar zij zo graag in 1950 naar hadden willen terugkeren om de op 25 april 1950 geproclameerde Republiek der Zuid-Molukken te verdedigen.

Veel van deze mannen en vrouwen spraken niet gemakkelijk over wat zij voelden. Zij droegen hun verdriet in stilte. Maar zwijgen betekent niet dat de pijn verdwijnt. Wat niet wordt uitgesproken, kan toch worden doorgegeven.

En de tweede generatie heeft dat gevoeld: de teleurstelling, de boosheid, het heimwee en het niet kunnen loslaten van wat hun ouders was overkomen. Dat geldt ook voor de kinderen, de usi2 en de bung2, die samen met hun ouders naar Nederland zijn gekomen. Zij hebben nog meer meegemaakt dan degenen die veel later zijn geboren.

Er zijn momenten waarop de pijn van de geschiedenis niet wordt beschreven, maar wel direct voelbaar is. Onlangs kreeg ik een bericht van een goede vriend. Hij vertelde mij dat hij had gesproken met de dochter van een oom van de eerste generatie die zich jarenlang had ingezet voor de rechtvaardige strijd van het Molukse volk.

Toen zij hoorde dat de naam van haar vader door mij tijdens een toespraak werd genoemd, had dat haar diep geraakt. Terwijl zij dat vertelde aan mijn vriend, kreeg zij kippenvel.

Dat lijkt misschien een klein moment, maar dat was het niet. In dat ene moment kwam veel samen: de trots dat haar vader niet was vergeten, zijn trouw aan de zaak, het stille verdriet en het besef dat hij een groot deel van zijn leven heeft gegeven aan die strijd, maar de verwezenlijking daarvan niet heeft mogen meemaken.

Zo diep leven de inzet en de pijn van de eerste generatie voort in hun kinderen en kleinkinderen.

Maar ondanks alles wat is gebeurd, staan wij als volk nog steeds recht overeind. We zijn beproefd, maar niet verdwenen. We zijn een trots volk, met elkaar verbonden van het noorden van de Molukken tot het zuiden.

Wij kennen verschillen, maar onder die verschillen ligt één gedeeld lot. De eerste generatie zat samen op één boot: christenen en moslims, afkomstig van verschillende eilanden, van Ambon tot de Kei-eilanden, met verschillende militaire rangen, van officier en onderofficier tot soldaat.

Na aankomst werd echter iedereen, ongeacht eiland, religie of militaire rang, door hetzelfde lot getroffen: per direct oneervol ontslag. Zij hadden de koningin decennialang gediend, maar de wijze waarop zij aan de kant werden gezet was verre van koninklijk.

Ik heb vaker gezegd dat het de hand van de Schepper moet zijn geweest die ons uiteindelijk hier in Nederland heeft gebracht. Hier zijn nieuwe generaties geboren. Hier hebben wij een bestaan opgebouwd en een plaats gevonden binnen de maatschappij.

Dat neemt het onrecht van de eerste generatie niet weg, maar het maakt ons verhaal groter dan alleen pijn. En dat is ook goed om vast te stellen.

Ons verhaal begint eeuwen terug. Maar als we kijken naar de recente geschiedenis, begint dat niet in de kampen van Vught en Westerbork en ook niet in de Molukse woonwijken. Ons verhaal begint in de Molukken, in het bijzonder op 25 april 1950, de dag van de proclamatie van de Republiek der Zuid-Molukken.

Gevolgd door de eerste aankomst op 21 maart 1951 in Rotterdam. En vandaag staan wij hier op 21 juni bij de landelijke herdenking, eveneens in Rotterdam.

Deze drie data zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden.

Tegen deze achtergrond raakt de motie van Kamerlid Don Ceder ons diep. De motie vraagt om een onafhankelijk onderzoek naar het verleden, de komst en het 75-jarige verblijf van de Molukkers in Nederland en naar de doorwerking van de geschiedenis tot de dag van vandaag. Volgens de motie behoort daartoe ook onderzoek naar het dekolonisatieproces.

Daar spreek ik onze waardering voor uit, in het bijzonder aan het adres van de initiatiefnemer, de heer Ceder. Maar ook aan alle Kamerfracties die vrijwel unaniem deze motie hebben ondersteund.

Die brede steun in het parlement geeft ons het vertrouwen dat de regering deze motie volledig zal omarmen. De motie opent de weg naar waarheidsvinding, erkenning van aangedaan onrecht en herstel daarvan.

Waarheidsvinding mag niet bang zijn voor de kern van het verhaal. Een onderzoek dat de politieke dimensie ontwijkt, zal geen recht doen aan de ingewikkeldheid van deze geschiedenis. Juist daarom is het belangrijk dat overeenkomstig de motie ook het dekolonisatieproces onder ogen wordt gezien.

In dit licht hebben ook de woorden van oud-minister-president Dries van Agt grote waarde. In een persoonlijke brief van 17 oktober 2021 schreef hij mij onder andere het volgende:

“Als ik het Molukse verhaal beter had gesnapt, had het allemaal niet zo ver hoeven te komen.”

Hij noemde in dat verband de opheffing van het KNIL, het onmiddellijke ontslag, het verlies van inkomen, de slechte huisvesting en vooral het uitblijven van hulde en dank.

Hij schreef verder:

“Pas veel later heb ik dit eigenlijk beseft. Dat zeg ik u nu met schaamte. Er zouden anders politieke besluiten zijn genomen die het leven van de KNIL-militairen en hun families minder beroerd zouden hebben gemaakt.”

De woorden van de vroegere minister-president laten zien dat het leed dat de eerste generatie is aangedaan niet enkel het gevolg is geweest van een samenloop van omstandigheden, maar mede het resultaat van politieke besluiten die anders hadden moeten luiden.

Tot dat laatste behoort ook het feit dat het recht op zelfbeschikking van het Molukse volk niet de plaats heeft gekregen die het binnen het dekolonisatieproces en het internationaal recht had behoren te krijgen.

Vandaag staan wij op een kruispunt.

Aan de Nederlandse regering verzoek ik daarom: voer de motie uit zoals die is bedoeld. Onafhankelijk, ruim, zorgvuldig en in gesprek met de gemeenschap. Maak van dit moment geen eindpunt, maar een nieuw begin. Laat de nationale agenda niet over de gemeenschap heen worden gemaakt, maar met haar.

En waar het gaat om waarheidsvinding, erkenning en rechtsherstel behoort de regering in ballingschap van de RMS te worden betrokken en gehoord. Zij is en blijft een dragende stem waarnaar moet worden geluisterd.

Aan de Molukse gemeenschap zeg ik: onze pijn is werkelijkheid. Onze geschiedenis mag en zal niet worden vergeten. Laat daarom het monument Ulu Kora een blijvende herinnering zijn aan wat te lang ongezien en ongehoord is gebleven.

Onze dank gaat uit naar de leden van het bestuur van de Stichting Landelijk Monument. Onze dank is groot. U bent erin geslaagd dat het monument geheel op eigen initiatief – en dat is uniek – tot stand is gekomen.

Vooral de eerste generatie zal u hiervoor dankbaar zijn. Jordy Tahamata, Andrew Roos, Fiona Roos, Karin Pattikawa en Robin Pattikawa: wij danken jullie voor jullie inzet.

Er is nog één levende kwestie die ik vandaag onder uw aandacht wil brengen, een kwestie die door het Molukse volk als zeer pijnlijk wordt ervaren en die hier vandaag niet onbenoemd mag blijven.

Nonja Soumokil, de weduwe van mr. dr. Chris Soumokil, de tweede president van de RMS, is 92 jaar oud. Zij wacht al 61 jaar op de teruggave van de stoffelijke resten van haar echtgenoot, die op 12 april 1966 is geëxecuteerd.

Haar verlangen is puur humanitair en gelet op haar leeftijd is deze situatie zeer urgent.

De tragische geschiedenis van de eerste generatie die wij hier vandaag herdenken, is direct verbonden aan het feit dat de executie van dr. Soumokil bij de eerste generatie, maar ook bij de volgende generaties, veel leed heeft veroorzaakt.

Ik was nog een kleine jongen toen het bericht van de executie van dr. Soumokil ons hier in Nederland bereikte. Ik heb toen moeten ervaren hoe verschrikkelijk mijn vader zich in boosheid uitte. Wat hij zich vooral verweet, was dat hij wel de Nederlandse staat had gediend, maar nooit de kans had gekregen Ambon te verdedigen.

Zijn verdriet was groot. Ik heb hem toen voor het eerst zichtbaar zien huilen.

Oprechte erkenning van geleden pijn en verdriet vraagt dan ook om extra inspanningen om de overdracht van de stoffelijke resten van dr. Soumokil aan zijn nog levende echtgenote van 92 jaar oud te realiseren.

Geachte aanwezigen,

Vandaag wordt geschiedenis geschreven. Met de onthulling van het monument, in bijzijn van de minister-president en enkele nog in leven zijnde ouderen van de eerste generatie, wordt het verhaal van het Molukse volk eindelijk zichtbaar.

Dit monument wijst ons tegelijk de weg naar vooruitgang: waarheidsvinding, erkenning, rechtsherstel en vervolgens verdergaan met ons leven.

Ik dank u allen voor uw aandacht en breng u onze nationale groet zoals de eerste generatie gewend is:

Eén voor allen, allen voor één.

Mena Muria.