Op 2 december 1975 kaapte een groep van zeven Molukse jongeren uit Bovensmilde een intercitytrein bij Wijster. Twee dagen later, op 4 december 1975, overvielen zeven andere Molukse jongeren het Indonesische consulaat in Amsterdam, als steunactie voor de jongeren die de trein in Wijster hadden gekaapt. Ook medewerkers en bezoekers van het in het gebouw gevestigde reisbureau en kinderen van een Indonesische school werden hierbij gegijzeld.
Lees hieronder meer over de oorzaken van de radicalisering van Molukse jongeren in de jaren ’70 en over de directe aanleiding, het verloop, het doel en de gevolgen van de acties, waarbij ook de persoonlijke ervaring van ex-actievoerder Otjep Hully terug te lezen is.
“Als onze ouders de moed hadden om voor een andere vlag hun leven te wagen, wat zegt het dan over ons als wij niet opkomen voor onze eigen vierkleur?!” – Otjep Hully
Oorzaken radicalisering Molukse jongeren
Gebroken beloftes van de Nederlandse overheid
Molukkers voelden zich bedonderd door de Nederlandse overheid. Bij aankomst in Nederland werden de Molukse KNIL-militairen direct ontslagen uit militaire dienst, waarmee ze hun militaire status als beroepsmilitair verloren en daardoor ook hun aanzien. Ook mochten Molukkers na de soevereiniteitsoverdracht op 27 december 1949 en de proclamatie van de RMS op 25 april 1950 nog steeds niet terugkeren naar Ambon en overige eilanden op de Molukken. Nederland en Indonesië wilden voorkomen dat de militairen mee zouden gaan vechten in de oorlog tussen de RMS en Indonesië. Het besef dat Molukkers niet, zoals door de Nederlandse overheid beloofd was, tijdelijk in Nederland zouden verblijven, maar dat ze steeds meer uit moesten gaan van een permanent verblijf in Nederland, sloop er langzamerhand in. Dit besef werd in de tweede helft van jaren ‘50 door de Nederlandse regering in de hand gewerkt met de invoering van onder meer de zelfzorg.
“Als ik het verdriet, de boosheid, de teleurstelling en de bitterheid van onze ouders jegens de Nederlandse regering – omdat zij tegen wil en dank in Nederland terecht waren gekomen en jarenlang op een respectloze manier behandeld werden – op mijn netvlies voelde branden, dan was de keuze in mijn geval niet moeilijk te maken. Het doel heiligde de middelen.” – Otjep Hully
Veranderend beleid van de Nederlandse regering
In 1959 werd met het spreidingsbeleid besloten de 71 woonoorden te sluiten en de Molukse bewoners onder te brengen in naar nog te bouwen Molukse woonwijken. Deze wijken zouden om en nabij 50 woningen groot moeten worden en in de nabijheid van industriële werkgelegenheid moeten liggen. De Commissie Verwey-Jonker wilde hiermee voorkomen dat Molukkers in een vicieuze cirkel van stigmatisering en verpaupering terecht zouden komen.
Molukkers kregen de gelegenheid om hun collectiviteit te behouden. De sociale organisatie, denk hierbij aan eigen instituties als de kerk, veranderde dan ook weinig vergeleken met de woonoorden waarin Molukkers eerst verbleven. Werkzaamheden op welzijnsterrein werden overgenomen door het Commissariaat Ambonezenzorg (CAZ). De overgang van de woonoorden naar woonwijken had een positieve invloed op het aantal werkende Molukkers. Ondanks de verbeterde woon- en leefomstandigheden als gevolg van het nieuwe beleid bleef de overtuiging dat Nederland verantwoordelijk was voor het niet realiseren van het RMS-ideaal, met name onder de jongeren. De toegroei naar en affiniteit met de Nederlandse samenleving bleef dan ook uit.
De invloed van andere vrijheidsbewegingen
De jongeren onder de RMS-aanhangers in Nederland vonden het pacifistische beleid van de RMS-leiders veel te soft. Het gebrek aan hardheid en het uitblijven van successen zou ten koste gaan van het draagvlak voor de RMS-strijd. Molukse jongeren van de tweede generatie werden sterk beïnvloed door opkomende terroristische organisaties als de Palestine Liberation Organization (PLO), het Iers Republikeins Leger (IRA), de Rote Armee Fraktion (RAF), Euskadi Ta Askatasuna (ETA) en de Black Panther Party, die hun doel wilden bereiken door middel van geweld. Molukse jongeren vonden vooral aansluiting bij de PLO omdat het land van de Palestijnen (Palestina) door Israël bezet werd en nog steeds bezet wordt, net zoals het land van de Zuid-Molukkers (de Zuid-Molukken) bezet werd en wordt door Indonesië.
Molukse jongeren namen steeds vaker zelf initiatief door bijvoorbeeld politieke jongerenorganisaties op te richten. Op die manier werd de stem van de tweede generatie steeds meer verspreid en gehoord. De eerste generatie was hiermee niet meer de enige die actief was in de strijd voor het verwezenlijken van het RMS-ideaal: een vrije Republik Maluku Selatan door het verdrijven van de bezetter Indonesië.
“Jarenlange ontkenning, miskenning en tegenwerking door de Nederlandse regering t.a.v. de R.M.S.-strijd, alsmede de bezetting van het Zuid-Molukse grondgebied door Indonesië hadden Zuid-Molukse jongeren doen besluiten om aan de wereld met de gijzeling het RMS-streven kenbaar te maken.” – Otjep Hully
Directe aanleiding van de acties
De aanleiding voor de treinkaping waren de hoogopgelopen spanningen van RMS-aanhangers door uitlatingen van Nederlandse politici in de media. In september 1974 noemde Kamervoorzitter Vondeling de RMS een droombeeld. In april 1975 verklaarde minister van Doorn van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk dat het niet meer reëel was om over de RMS te praten. De minister vond dat het tijd werd dat de Molukse leiders in Nederland zich af gingen vragen of het nog wel zin had om illusies te koesteren. Hij was dus al de tweede politicus in korte tijd die de RMS een illusie noemde. Daarbovenop kwam vlak voor de RMS-viering op 25 april nog de oproep van professor Verkuyl, lid van de Raad van Kerken, aan de Nederlandse pers om geen aandacht te besteden aan het RMS-jubileum.
De echte druppel die de emmer deed overlopen was de toespraak van Koningin Juliana naar aanleiding van de onafhankelijkheidsverklaring van Suriname op 25 november 1975. “Ze durft te zeggen dat ieder volk recht heeft op zelfbeschikking. En dat terwijl hier al 25 jaar lang onze ouders aankloppen bij de Nederlandse regering maar gewoon nul op rekest krijgen. Dat was de trigger: nu laten we van ons horen, nu is het genoeg!”, zoals een van de actievoerders uit de trein later in een interview zou verklaren.
“Met mijn eigen (mentale) voorbereiding was ik al maanden ervoor begonnen, voor het geval ik gevraagd zou worden om aan een actie deel te nemen. Ik kocht een uzi-pistoolmitrailleur, schafte een baret aan waarop ik het RMS-baretembleem bevestigde, legde een bijbel en Molukse vlag klaar en fabriceerde een masker. Van mijn vriendin die toen in een verpleegtehuis werkte, vroeg ik regelmatig cafeïnetabletten, die ik opspaarde voor het geval dat ik een oppepper kon gebruiken. Alles in een sporttas opgeborgen, in afwachting van hét moment.” – Otjep Hully
Verloop & doel
Treinkaping bij Wijster
Op 2 december 1975 kaapte een groep van zeven Molukse jongeren uit Bovensmilde een intercitytrein bij Wijster. De actievoerders gijzelden 54 inzittenden. De jongeren noemden zichzelf, net als de jongeren die betrokken waren bij de gijzelingsactie in Wassenaar (1970), Vrije Zuid-Molukse jongeren. Bij deze treinkaping kwam de machinist direct aan het begin om het leven en later werden ook twee gijzelaars geëxecuteerd, met als doel het afdwingen van hun eisen. De executie van de machinist was eigenlijk niet de bedoeling, maar veroorzaakte wel een verschuiving van de grens van het gebruik van geweld.
Eisen
De eisen die de jongeren stelden, waren een vrije aftocht en gesprekken tussen de Molukse leiders en de Indonesische overheid. Deze gesprekken moest de Nederlandse regering bevorderen. Ook moest de Nederlandse regering de RMS-kwestie bij de Verenigde Naties aan de orde stellen.
Bezetting van het Indonesisch consulaat in Amsterdam
In de tussentijd werd op 4 december 1975, twee dagen na het begin van de treinkaping bij Wijster, het Indonesische consulaat in Amsterdam overvallen door zeven andere Molukse jongeren. De jongeren gijzelden medewerkers en bezoekers van een reisbureau en kinderen van een schooltje, die ook in het gebouw gevestigd waren. Om hun goede wil te tonen, lieten ze de kinderen al snel vrij. Dit wel in ruil voor een radio en een draagbare televisie. Bij de gijzeling viel één dode. Een medewerker van het consulaat sprong uit het raam en overleed later aan zijn verwondingen. De overval was een steunactie voor de Molukse jongeren die twee dagen eerder een trein in Wijster hadden gekaapt en op dat moment nog reizigers gijzelden. De overvallers stelden dan ook dezelfde eisen als de treinkapers.
“Hoewel alle actievoerders van 1975 uit dezelfde gemeenschap (Bovensmilde) kwamen en wij van jongs af aan samen waren opgegroeid met dezelfde politieke aspiraties, hadden de trienkapers hun actie lang van tevoren beraamd en uit strategische overwegingen geheim gehouden. De bezetting van het Indonesische consulaat in Amsterdam was daarentegen een spontane actie, die werd uitgevoerd als steunactie voor onze kameraden in de trein én om Indonesië, als de nieuwe koloniale bezetter van Maluku, in het verhaal te betrekken.” – Otjep Hully
Einde van de acties
Toenmalig president van de RMS, dhr. Manusama, werd in het begin van de actie niet geaccepteerd als onderhandelaar. De kapers en overvallers wilden enkel ds. Metiary, voorzitter van de Badan Persatuan en dominee in Assen en Bovensmilde, en zijn schoonzoon Zeth Pessireron als onderhandelaars. Manusama keurde geweld als actiemiddel af; Metiary toonde hiervoor meer begrip. Nadat Manusama de kapers duidelijk had gemaakt dat er doden zouden kunnen gaan vallen in het consulaat bij een eventuele escalatie van de gijzelingsacties en dat dit een terugslag zou kunnen betekenen voor de Molukkers in Indonesië, gaven de kapers zich op 14 december over, waarna Manusama hen overdroeg aan de Nederlandse autoriteiten. Ook de overvallers gaven zich op 19 december over, nadat hen was toegezegd dat Manusama in gesprek zou gaan met de Nederlandse regering.
“De ontmoetingen en de onderhandelingen met en via ds. Metiary waren best emotioneel omdat hij ons allemaal, zonder uitzondering, van jongs af aan kende. Ik ben door hem in kamp Schattenberg gedoopt, heb vervolgens drie jaar catechisatie gedaan bij hem en tenslotte heeft hij mijn kerkelijke belijdenis afgenomen. Hij was predikant, maar ook een charismatische politieke leider die qua politieke opvattingen militanter was dan president Manusama. Ds. Metiary begreep als geen ander het ongeduld en de boosheid van de jongere generatie.” – Otjep Hully
Gevolgen van de acties
Het beloofde gesprek
Het beloofde gesprek tussen Manusama en de Nederlandse regering vond plaats in januari 1976. Hierin ontstond het idee voor een nieuwe commissie, die moest bestaan uit Molukkers én Nederlanders. De commissie Köbben-Mantouw werd op 25 mei 1976 geïnstalleerd. Deze commissie, bestaande uit vijf Nederlanders en vijf Molukse afgevaardigden had drie taken: het bieden van een ‘stootkussen-functie’, het uitvoeren van een onderzoek naar de politieke situatie op de Zuid-Molukse eilanden en het opzetten van een historische studie. moest onderzoek doen en zou aan de hand daarvan aanbevelingen moeten doen om problemen in de toekomst te voorkomen.
Politieke en maatschappelijke impact
De RMS-kwestie werd wereldnieuws, maar zonder concreet politiek resultaat. Het geweld leidde tot maatschappelijk onbegrip en angst, maar ook tot discussies over de oorzaken van de frustratie.
Verdeeldheid binnen de Molukse gemeenschap
Ten gevolge van de acties ontstond verdeeldheid binnen de Molukse gemeenschap. Sommige Molukkers veroordeelden het geweld, anderen zagen het als noodkreet en noodzakelijk om de RMS-kwestie zichtbaar te maken. Officiële organisaties wezen het gebruik van geweld af, maar stonden wel achter de eisen van de actievoerders. Een discussie over strategie, identiteit en toekomst ontwikkelde zich.
Veranderend veiligheidsbeleid van de Nederlandse regering
Nederland reorganiseerde naar aanleiding van de acties zijn terrorismebestrijding; meer gespecialiseerde antiterreureenheden werden opgericht. Na de acties besefte het ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk werk (CRM) dat de relatie tussen Molukkers in Nederland en Molukkers in Indonesië verbeterd moest worden. Een ambtelijke werkgroep van CRM startte besprekingen met hun Indonesische collega’s. Deze gesprekken hadden tot doel manieren en activiteiten te bedenken om de Molukse gemeenschap in Nederland dusdanig te beïnvloeden dat hun draagvlak voor de RMS zou afnemen. De Indonesische regering stelde dat Molukkers die permanent naar Indonesië wilden terugkeren dit onder voorwaarden konden doen. De RMS werd beschouwd als een binnenlands en dus als een specifiek Nederlands probleem, waarvoor het bevorderen van de integratie in Nederland als oplossing werd gezien.
De pro-RMS demonstraties die in die periode gehouden werden door Molukkers, in combinatie met gewelddadige acties van Molukkers zoals de poging tot brandstichting in de Indonesische ambassade in Den Haag, bemoeilijkten de onderhandelingen. Toch kwam de Nederlandse overheid in 1974 tot een aantal afspraken met de Indonesische overheid. In 1975 werden deze als resultaat in een besprekingsverslag vastgelegd in de zogeheten (Geheime) Akkoorden van Wassenaar. Om deze akkoorden uit te voeren werd een ‘joint comittee’ opgericht die bestond uit Nederlandse en Indonesische ambtenaren.
Integratiepolitiek van de Nederlandse regering
De spanningen tussen Molukkers en de Nederlandse samenleving bleven echter voortleven. Na de acties werd namelijk nog eens bevestigd dat de Nederlandse regering Molukkers wilde laten integreren en het RMS-ideaal te blijven ondermijnen. Deze bevestiging kwam onder andere voort uit de maatregelen die de Nederlandse regering nam om radicalisering van Molukse jongeren te verminderen. Het doel van het nieuwe beleid was om Molukkers meer te laten participeren in de Nederlandse samenleving en daarbij mogelijkheden te bieden voor het vasthouden van de eigen identiteit. Vanaf het begin van de jaren ’70 kreeg de Molukse gemeenschap al subsidies voor de oprichting van stichtingen. Deze stichtingen moesten aan strengere eisen van CRM voldoen dan de kerken, de verenigingen en de wijkraad, die ook al bestonden in de oorspronkelijke kampen. Door de subsidies kregen ook Molukse jongeren de kans om eigen instellingen op te richten en vanuit daar invloed uit te oefenen binnen de woongemeenschappen. De stichtingen zorgden echter niet voor een verkleining van de afstand tussen Nederlanders en Molukkers zoals CRM had gehoopt. Dit komt doordat Molukkers nu de kans kregen zich te verzamelen en het RMS-ideaal uit te dragen. Na de Akkoorden van Wassenaar kregen Molukkers ook recht op een Nederlands paspoort, zonder dat zij daarvoor Nederlands staatsburger hoefden te worden. Hoewel het hierdoor makkelijker werd voor Molukkers om te reizen, werd in dit nieuwe recht weer een poging gezien tot het stimuleren van verdere integratie en instrument bij de depolitisering van de RMS.

